Wat is dyscalculie?

dyscalculie-350x225.jpg

Dyscalculie

Dyscalculie is een opvallend probleem met het leren rekenen dat niet past bij iemands leeftijd, intelligentie en onderwijskansen.

Uit onderzoek blijkt dat bepaalde hersengebieden bij mensen met dyscalculie verschillen met die van mensen zonder dyscalculie. Deze specifieke hersenverschillen zorgen ervoor dat een persoon met dyscalculie een minder sterk ontwikkeld 'gevoel' voor hoeveelheden heeft, terwijl 'hoeveelheidsbesef' nu juist de basis vormt voor het werken met getallen.

Dyscalculie kan leiden tot zittenblijven, onderscholing en schooluitval. Maar ook in het dagelijks leven ondervinden mensen met dyscalculie veel last. Denk bijvoorbeeld aan het niet vlot kunnen rekenen met geld, zoals dat nodig is bij het afrekenen van boodschappen en het ontvangen van wisselgeld en het niet goed kunnen aflezen van tabellen, zoals een dienstregeling van het openbaar vervoer en problemen met het inschatten van aankomst- en vertrektijden. Het is dan ook niet gek dat dyscalculie vaak samen gaat met sociaal-emotionele problemen.

Enkele feiten

  • Ongeveer 3 – 7% van de Nederlanders heeft dyscalculie.

  • De man-vrouw verhouding is gelijk bij dyscalculie.

  • Erfelijkheid speelt een belangrijke rol bij dyscalculie.

  • Dyscalculie komt in alle lagen van de bevolking voor en staat los van intelligentie.

  • Dyscalculie is een tweelingstoornis van dyslexie, waarbij ook problemen met automatiseren optreden.

  • Tevens heeft dyscalculie een relatie met (faal)angst en aandachtsproblemen.

 

blokjes

Dyscalculie herkennen

Het is helaas niet eenvoudig dyscalculie vast te stellen. De diagnose kan alleen gesteld worden na uitgebreid onderzoek door een specialist. Wel kunt u op een aantal zaken letten. Als u uzelf, uw kind of leerling herkent in onderstaande punten, dan is het misschien verstandig om verder advies in te winnen tijdens één van onze telefonisch spreekuren.

  • opvallend veel fouten bij eenvoudige sommen;

  • moeite met het inschatten van hoeveelheden;

  • op vingers blijven tellen, terwijl andere kinderen dat niet meer doen;

  • moeite met begrippen als links/rechts, boven/onder;

  • moeite met de volgorde van de stappen die nodig zijn bij complexe rekensommen, zoals een staartdeling;

  • opvallend traag rekentempo;

  • moeite met klokkijken en/of tijdsbesef;