Research
Het IWAL is opgericht in 1983 vanuit de Faculteit Psychologie van de Universiteit van Amsterdam, met als doel het wetenschappelijk onderzoek en de praktijk van hulpverlening op het gebied van dyslexie te integreren binnen één instituut. Het IWAL is inmiddels een zelfstandig expertisecentrum voor dyslexie geworden, waarbij de doelstellingen ongewijzigd gebleven zijn. Binnen het IWAL richt de afdeling IWAL-Research zich op het wetenschappelijk onderzoek naar dyslexie, hetgeen gebeurt in samenwerking met de programmagroep Ontwikkelingspsychologie van de Universiteit van Amsterdam en met de Dyslexie Stichting Theo Schaap.
Een centrale doelstelling van ons onderzoek is het leveren van een bijdrage aan de ontwikkeling van effectieve behandelingen voor dyslexie. Deze doelstelling komt tot verschillende onderzoekslijnen. Drie representatieve onderzoekslijnen zijn:
De evaluatie van de werkzaamheid van de LEXY-behandeling voor dyslexie,
De ontwikkeling van nieuwe behandelcomponenten op grond van impliciete associatief -leerparadigma’s, en
De ontwikkeling van een interventieprogramma voor de problemen met het studerend lezen (het verwerven van informatie uit teksten) bij dyslectici.
Daarnaast is binnen onze onderzoeksactiviteiten ook aandacht voor de ontwikkeling en normering van testen en voor onderzoek naar cognitieve mechanismen die een rol spelen bij dyslexie.
Project 1: Evaluatie van de LEXY-behandeling
LEXY presenteert aan dyslectici een leersysteem waarin basale, linguïstische elementen en operaties duidelijk gemaakt worden, die essentieel zijn voor de grafische representatie van de gesproken taal. Het is een computerondersteund programma, gericht op het leren herkennen en gebruik maken van de fonologische en morfologische structuur van het Nederlandse woord. Het uitgangspunt van de behandeling is de klankstructuur, te weten de verzameling klanken, de klassen waartoe de klanken behoren en de standaard grafische representatie van de klanken. De syllabe is hierbij de eenheid van verwerking. De laatste klank van een syllabe is van bijzonder belang: de relatie tussen een klank en zijn standaard grafische representatie kan doorbroken worden, afhankelijk van de fonologische klasse waartoe de laatste klank van de syllabe behoort. Dit is in het computerprogramma geoperationaliseerd aan de hand van een inferentieel algoritme: als de laatste klank <F> van de syllabe behoort tot de klasse <K>, dan operatie <O> uitvoeren. Elk concept in deze operatie is expliciet gedefinieerd in het programma; de verzameling van spraakklanken, de klassen waartoe deze klanken behoren, en de operaties die van toepassing zijn op een bepaalde klasse van klanken.
In een serie onderzoeken is recentelijk de werkzaamheid van deze behandeling geëvalueerd, met aandacht voor zowel de externe als de interne validiteit. Het onderzoek richt zich onder meer op de aanwezigheid van klinisch relevante effecten, het bereiken van genormaliseerde niveaus van lezen en spellen, tranfsereffecten, lange-termijn effecten (4 jaar follow-up), de invloed van individuele factoren, een proces-gerichte evaluatie, en de ontwikkelingsdynamiek van de snelheid en van de nauwkeurigheid van het lezen tijdens en na afloop van de behandeling.
De resultaten van dit project zijn gerapporteerd in verschillende publicaties.
Project 2: De waarde van associatief leren voor diagnostiek en behandeling
Verondersteld wordt dat een gecombineerde aanpak waarin expliciet leren vervolgd wordt met impliciet leren bestaande interventiemethodes voor dyslexie zou kunnen verfijnen. Methodes waarin fonologische elementen expliciet gekoppeld worden aan de orthografische representaties, waaronder de Lexy-methode in het Nederlandse taalgebied, zijn succesvol gebleken in het normaliseren van de spellingvaardigheid en de nauwkeurigheid bij het lezen. Het leestempo blijkt echter vooralsnog minder ontvankelijk voor verbetering.
Op grond van de bestaande data kan geconcludeerd worden dat gebruik van impliciete interventietechnieken waarin excessieve herhaling wordt toegepast, veelbelovend is als mechanisme om het leestempo te verbeteren. In dit onderzoek zal worden getracht de LEXY-methode te verfijnen door implementatie van een aanvullende module die een zuiver impliciete grondslag heeft. Deze module zal de vorm hebben van een aantrekkelijk computerspel waarin spelenderwijs de Nederlandse associaties tussen fonemen en grafemen, alsmede enkele spellingregels kunnen worden geoefend.
Het is mogelijk dat het succes van een aanvullende impliciete module afhankelijk is van de transparantie van de orthografie van de betreffende taal. In dit onderzoek zal de effectiviteit van een aanvullende impliciete module in de LEXY-methode daarom zowel in Nederland als in Griekenland worden geëvalueerd. In tegenstelling tot de orthografie van het Nederlands, welke gezien wordt als semi-transparant, beschikt het Grieks over een transparante orthografie.
In een vooronderzoek zal met behulp van een artificieel schrift worden onderzocht hoe dyslectici en niet-dyslectici grafeem-foneemassociaties leren. Er zal hierbij een vergelijking worden gemaakt tussen de effectiviteit van een expliciete, een impliciete en een gecombineerde benadering.
Onderzoek naar het leren van grafeem-foneemassociaties kan ook voor diagnostiek en prognostiek waardevol zijn. In het onderhavige onderzoek zal getracht worden een taak te ontwikkelen die het gemak meet waarmee grafeem-foneemassociaties worden geleerd. Met deze procesgerichte taak wordt beoogd de effectiviteit en het verloop van de behandeling te kunnen voorspellen.
Indien u meer over dit onderzoek wilt weten, kunt u de uitgebreide verantwoording lezen.
Project 3: Interventieprogramma voor problemen met studerend lezen
De interventiemethode wordt ontwikkeld om dyslectische middelbare scholieren te kunnen helpen met het verwerven van kennis uit informatieve teksten. Dit is een vaardigheid die vereist is voor het bestuderen van de leerstof. Een belangrijk uitgangspunt bij de ontwikkeling van de interventiemethode is dat de structuur van een informatieve tekst beschouwd kan worden als een constructie waarin een kernbegrip centraal staat en waaraan een aantal essentiële begrippen van ‘lagere orde’ gerelateerd worden (Doblaev, 1984; Kintsch & Rawson, 2005).
De begrippen van lagere orde vormen een predikaat van het kernbegrip en kunnen zelf ook weer een uitleg krijgen. Op deze wijze vormen het kernbegrip en de andere begrippen met hun relaties een hiërarchische structuur. De onderlinge relaties tussen de verschillende begrippen wordt vaak niet expliciet geformuleerd. Voor een goed tekstbegrip is het derhalve aan de lezer om dat verband zelf te ontdekken en tijdens het lezen relevante vragen over de tekstinhoud te formuleren (Best, Rowe, Ozuru, & McNamara, 2005; Doblaev, 1984; Duke & Pearson, 2002).
Door de structuur van de tekst te beschouwen als een constructie bestaande uit een kernbegrip met specifieke relaties tot andere belangrijke begrippen, kan de kern van de tekst in de vorm van een gevisualiseerd schema worden weergegeven. Dit is voor dyslectici een nuttige strategie omdat men dan niet weer, zoals in het geval van een geschreven samenvatting, een tekst hoeft te lezen. Bovendien benadrukt deze aanpak het activeren van de ‘hogere orde’ processen (zoals inferenties maken, monitoren) in tegenstelling tot de bij dyslectici belemmerde ‘lagere orde’ processen (zoals het decoderen; vgl. Cain & Oakhill, 2003; Ransby & Swanson, 2003).
Praktisch beschouwd is de interventiemethode erop gericht de dyslectische leerling handgrepen aan te bieden om de kerninformatie uit studieteksten te halen. Door het programma te volgen, zal de leerling in staat zijn actief te zoeken naar de belangrijke informatie in een tekst, deze informatie vervolgens uit de tekst te halen en weer te geven in een gevisualiseerd schema. Daartoe volgt de methode globaal gezien de volgende stappen:
- Het actief bevragen (én beantwoorden) van de informatie in de (studie)tekst;
- Het herkennen en expliciet onder woorden kunnen brengen van het kernbegrip, de belangrijke begrippen en de onderlinge relaties;
- Het verkrijgen van een nauwkeurig begrip van de betekenis van deze begrippen;
- Het overzichtelijk weergeven van de begrippen en de relaties in een gevisualiseerd schema.
Een eerste try-out van de interventiemethode heeft bevredigende resultaten opgeleverd. De leerlingen geven aan dat ze de methode als leerzaam hebben ervaren, dat ze beduidend makkelijker de kern uit hun studieteksten kunnen halen en dat ze het geleerde ook daadwerkelijk toepassen bij het leren van hun proefwerken. De interventie is in deze try-out door weliswaar hoog opgeleide maar niet binnen het vakgebied deskundige personen uitgevoerd. Zij bleken met het materiaal en de instructies goed uit de voeten te kunnen en het volgens protocol te kunnen overbrengen op de leerlingen. Dit suggereert dat de interventie voldoende robuust lijkt te zijn om adequaat geïmplementeerd te kunnen worden in de (school)praktijk. In het komende schooljaar (2007-2008) zal de methode verder ontwikkeld en getest worden.
Project 4: Cognitieve mechanismen bij dyslexie
Recentelijk is een onderzoek gestart naar de onderliggende factoren van Rapid Automatized Naming (RAN; Snelheid van Benoemen). Bekend is dat RAN geassocieerd is met fonologische vaardigheden. Daarnaast is de veronderstelling dat algemene verwerkingssnelheid van belang is voor de RAN prestatie. Bovendien is het in het onderzoek de verwachting dat bepaalde inhibitieprocessen bijdragen aan de RAN. De bijdrage van deze (latente) factoren aan de RAN van dyslectische kinderen zal worden onderzocht.
Tevens zal worden onderzocht hoe de RAN en zijn latente factoren gerelateerd zijn aan de leesprestaties van dyslectici voor, tijdens en na een behandeling. De leesprestaties zullen niet alleen met standaardleestests worden gemeten, maar ook middels een gecomputeriseerde (‘tachistoscopische’) leestest. Bij dit laatste wordt telkens één woord op het computerscherm gedurende korte tijd (100 msec) aangeboden, waarna de respondent het betreffende woord dient uit te spreken. De verwachting is dat deze taak een zuiverder meting is van de sterkte van grafeem-foneem associaties dan bv. de veelgebruikte één-minuut-test, en ook minder sterk geassocieerd is met algemene verwerkingssnelheid en inhibitie.
Zie deze poster (in pdf-formaat) voor preliminaire resultaten van dit onderzoeksproject.



